
Jouw all-in opstartpartner
Regel je oprichting via een digitale of fysieke afspraak.
We beschikken over de kennis op zowel fiscaal als juridisch vlak om in elke situatie uit te blinken in aanpak en advies.
Het dossier wordt op maat klaargemaakt ter oprichting. Ieder oprichting is uniek.
Wij hanteren geen exit-clausules.
Hoeveel kapitaal inbrengen bij oprichting BV: alles over het aanvangsvermogen
Het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) laat je toe om zelf het aanvangsvermogen van je BV te bepalen. Het aanvangsvermogen is het equivalent van het oude begrip "kapitaal". Vroeger moest de voorloper van de BV, de BVBA, steeds beschikken over een minimumkapitaal van 18.550 euro, waarvan minstens 6.200 euro gestort diende te worden bij de oprichting. Wie een eenpersoons-BVBA (E-BVBA) wou oprichten, moest zelfs 12.400 euro volstorten.
Sinds de invoering van het WVV is dat niet langer het geval. De wet legt de verantwoordelijkheid volledig bij de oprichters: zij bepalen zelf het aanvangsvermogen, dat wel toereikend moet zijn in het licht van de voorgenomen activiteit (art. 5:3 WVV). Die toereikendheid onderbouw je in het verplichte financieel plan (art. 5:4 WVV), dat je ook beschermt tegen oprichtersaansprakelijkheid bij een faillissement binnen drie jaar (art. 5:16 WVV). Ondernemingoprichten.be bepaalt samen met jou, op basis van een gekwalificeerde intake, welk aanvangsvermogen in jouw situatie verdedigbaar is. Het aanvangsvermogen hoeft bovendien niet volledig volgestort te worden: net zoals bij de vroegere BVBA kan je een deel niet-volstort laten.
Let op: gaat het ooit fout, dan vormt het volledige aanvangsvermogen in veel gevallen de basis voor de aansprakelijkheid van de oprichters. Het niet-volstorte gedeelte kan dan alsnog worden opgevraagd, bijvoorbeeld door de curator bij faillissement.
Voorbeeld: volstort versus niet-volstort
Stel: een BV met een aanvangsvermogen van 20.000 euro, waarvan 5.000 euro volgestort bij de oprichting. Bij een inbreng in geld levert de financiële instelling een bankattest af voor het volgestorte bedrag van 5.000 euro. Dat bankattest is niet altijd verplicht: het is enkel vereist bij een volgestorte inbreng in geld (art. 5:7 WVV), niet bij een inbreng in natura of nijverheid, en evenmin voor het niet-volstorte gedeelte. De notaris vermeldt in de akte een aanvangsvermogen van 20.000 euro, waarvan 5.000 euro volgestort. Het saldo van 15.000 euro blijft opvraagbaar zolang het niet volstort is, bijvoorbeeld wanneer de vennootschap failliet gaat.
Fiscale en economisch-juridische aspecten van het aanvangsvermogen
Deze wettelijke vrijheid biedt ruimte voor optimalisatie. Een oprichter kan een deel van het nodige vermogen niet inbrengen, maar uitlenen aan de eigen vennootschap. Een lening is juridisch iets anders dan een inbreng in het aanvangsvermogen.
Een lening kan je terugbetalen zodra de vennootschap daartoe de mogelijkheid heeft. Een terugbetaling van het aanvangsvermogen zelf is dat niet: dat blijft (on)beschikbaar eigen vermogen tot een latere statutenwijziging. Op een lening aan de vennootschap ontvangt de oprichter (net als een bestuurder of aandeelhouder) een interest. Die interest is in principe aftrekbaar bij de vennootschap en wordt bij de kredietgever belast met 30% roerende voorheffing.
Twee aandachtspunten zijn hierbij cruciaal. Ten eerste is er de marktrentegrens: de interest op een voorschot aan de eigen vennootschap mag de marktrente niet overschrijden. Die marktrente wordt jaarlijks wettelijk bepaald op basis van de MFI-rentevoet van november van het voorgaande jaar, verhoogd met 2,5 procentpunt (art. 18, eerste lid, 4° WIB 92). Het cijfer van 4,07% dat vroeger circuleerde, dateert uit een ouder aanslagjaar en is niet langer actueel; het juiste percentage moet elk jaar opnieuw worden nagekeken. Ten tweede geldt een 1-op-1-grens ten opzichte van het gestort kapitaal en de belaste reserves bij de aanvang van het belastbare tijdperk. Interest boven de marktrente of boven die 1-op-1-grens wordt geherkwalificeerd als een dividend en dienovereenkomstig belast. Laat de rentevoet en de omvang van je rekening-courant dus vooraf toetsen.
Een vrije beroeper of andere dienstverlener kan met een beperkt vermogen een BV oprichten. Wanneer er geen zware langlopende verplichtingen of hoge opstartkosten zijn, volstaat een beperkt aanvangsvermogen vaak. In dergelijke gevallen kan een aanvangsvermogen van bijvoorbeeld 2.000 euro al toereikend zijn, op voorwaarde dat het financieel plan dit onderbouwt.
Let wel: iedereen die je BV opzoekt in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad kan het aanvangsvermogen aflezen uit de gepubliceerde oprichtingsakte. Een zeer gering aanvangsvermogen kan leveranciers of klanten afschrikken. Hoe zwaar dat weegt, hangt af van de aard van je activiteit: bij dienstverleners en vrije beroepen is dit doorgaans minder relevant dan in kapitaalintensieve sectoren.
Twijfel je over het juiste aanvangsvermogen, de verhouding tussen inbreng en lening, of de onderbouwing in je financieel plan? Bekijk onze Prijzen of plan een betaald adviesgesprek (100 euro excl. btw per uur), waarin we jouw situatie concreet doorrekenen.
Compliance & review
- Laatste review: 6 juli 2026
- Reviewer: Vincent, met fiscale-review door Nathalie
- Bronnen: art. 5:3, 5:4, 5:7 en 5:16 WVV (aanvangsvermogen, financieel plan, bankattest, oprichtersaansprakelijkheid); art. 18, eerste lid, 4° WIB 92 (marktrente en herkwalificatie interest rekening-courant).
- Voorbehoud: Dit artikel is informatief en geen juridisch of fiscaal advies op maat. Neem voor jouw specifieke situatie contact op met een ITAA-erkend accountant.
Vincent Meesters
Ondernemer en fiscaal accountant


