Jouw all-in opstartpartner

Digitale of fysieke afspraak

Regel je oprichting via een digitale of fysieke afspraak.

Fiscaal en juridisch sterk

We beschikken over de kennis op zowel fiscaal als juridisch vlak om in elke situatie uit te blinken in aanpak en advies.

Persoonlijke aanpak

Het dossier wordt op maat klaargemaakt ter oprichting. Ieder oprichting is uniek.

Exit en vrijblijvend advies

Wij hanteren geen exit-clausules.

Verlaagd tarief vennootschapsbelasting: voorwaarden en bezoldiging vanaf 2026

Fiscaliteit
Gepubliceerd op
01
January
2025
Illustratie bij het verlaagd tarief vennootschapsbelasting en de bezoldigingsvoorwaarde vanaf 2026

Een kleine vennootschap kan in de vennootschapsbelasting genieten van een verlaagd tarief van 20% op de eerste schijf van €100.000 belastbare winst, in plaats van het standaardtarief van 25%. Dat voordeel is niet automatisch: je vennootschap moet aan verschillende voorwaarden voldoen, en één daarvan — de minimumbezoldiging van de bedrijfsleider — wordt vanaf inkomstenjaar 2026 strenger. Hieronder vind je de volledige voorwaarden, wie zijn bezoldiging moet optrekken, en enkele concrete rekenvoorbeelden.

Hoeveel bedraagt het verlaagd tarief?

Het verlaagd tarief bedraagt 20% op de eerste €100.000 belastbare winst. Op het gedeelte daarboven geldt het standaardtarief van 25%. Voldoet je vennootschap niet aan alle voorwaarden, dan wordt de volledige winst aan 25% belast.

Bij €150.000 winst betaalt een vennootschap die aan alle voorwaarden voldoet 20% op de eerste €100.000 (€20.000) en 25% op de resterende €50.000 (€12.500), samen €32.500. Zonder het verlaagd tarief zou de volledige winst aan 25% belast worden: €37.500. Het verschil bedraagt in dit voorbeeld €5.000 per jaar.

De vier voorwaarden voor het verlaagd tarief

Om van het 20%-tarief te genieten, moet je vennootschap gelijktijdig aan onderstaande voorwaarden voldoen (art. 215 WIB 92):

  1. Kleine vennootschap: de vennootschap moet ‘klein’ zijn volgens het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (art. 1:24 WVV). Dat is het geval zolang ze op balansdatum niet meer dan één van de volgende drie criteria overschrijdt: gemiddeld 50 werknemers, €11.250.000 jaaromzet (excl. btw) en €6.000.000 balanstotaal. Een overschrijding telt pas mee als ze zich twee opeenvolgende boekjaren voordoet.
  2. Minimumbezoldiging bedrijfsleider: de vennootschap kent aan minstens één bedrijfsleider een brutobezoldiging toe van ten minste €50.000 per jaar (voordien €45.000). Ligt de belastbare winst lager dan €50.000, dan volstaat een bezoldiging die minstens gelijk is aan die winst. Maximaal 20% van die bezoldiging mag bestaan uit voordelen van alle aard (bij €50.000 dus hoogstens €10.000 aan VAA).
  3. Geen financiële vennootschap: vennootschappen die als financiële vennootschap kwalificeren — bijvoorbeeld bepaalde holdings die hoofdzakelijk aandelen aanhouden — zijn uitgesloten van het verlaagd tarief. De precieze kwalificatie is technisch; laat dit bij twijfel nakijken.
  4. Aandelen hoofdzakelijk bij natuurlijke personen: meer dan de helft van de aandelen moet in handen zijn van natuurlijke personen. De vennootschap mag met andere woorden niet voor 50% of meer in handen zijn van één of meer andere vennootschappen.

De bezoldigingsvoorwaarde: van €45.000 naar €50.000

De bezoldigingsvoorwaarde is in de praktijk vaak doorslaggevend. Sinds de Programmawet van 18 juli 2025 is de vereiste minimumbezoldiging opgetrokken van €45.000 naar €50.000 bruto per jaar, en dat vanaf inkomstenjaar 2026 (aanslagjaar 2027). Het bedrag wordt voortaan jaarlijks geïndexeerd.

Twee nuances zijn daarbij belangrijk:

  • Lagere winst: is de belastbare winst van de vennootschap lager dan €50.000, dan hoeft de bezoldiging niet hoger te zijn dan die winst. Een vennootschap met €35.000 winst voldoet dus met een bezoldiging van €35.000.
  • Voordelen van alle aard: om te vermijden dat de bezoldiging vooral uit voordelen bestaat, mag maximaal 20% ervan uit voordelen van alle aard (zoals een bedrijfswagen) bestaan. Wie €50.000 moet uitkeren, mag daarvan dus hoogstens €10.000 als VAA invullen.

Wie moet vanaf 2026 zijn bezoldiging optrekken?

De verhoging naar €50.000 raakt vooral vennootschappen die tot nu net aan de oude grens van €45.000 voldeden. Keerde je bedrijfsleider een bezoldiging uit tussen €45.000 en €50.000, dan volstaat dat vanaf inkomstenjaar 2026 niet meer om het verlaagd tarief te behouden. Zonder aanpassing valt de volledige winst terug op 25%, in plaats van 20% op de eerste schijf.

Drie groepen herbekijken best hun situatie:

  • vennootschappen met een bedrijfsleidersbezoldiging tussen €45.000 en €49.999;
  • vennootschappen waarvan een groot deel van de bezoldiging uit voordelen van alle aard bestaat en zo de 20%-grens overschrijdt;
  • startende vennootschappen die hun vierde boekjaar naderen en dus binnenkort onder de bezoldigingsvoorwaarde vallen (zie hieronder).

De bezoldiging optrekken heeft uiteraard een kostprijs: op de bijkomende €5.000 betaal je personenbelasting en sociale bijdragen. Of de verhoging loont, hangt af van je winst en je persoonlijke situatie — dat vraagt een concrete doorrekening, waarbij je het tariefvoordeel (het verschil tussen 25% en 20% op de eerste €100.000) afweegt tegen de extra belasting op je hogere loon.

Uitzondering voor startende vennootschappen

Startende vennootschappen zijn gedurende de eerste vier boekjaren na hun oprichting vrijgesteld van de bezoldigingsvoorwaarde. In die periode kan een kleine vennootschap het verlaagd tarief van 20% toepassen, ook zonder een bedrijfsleidersbezoldiging van €50.000. Let op: wie een bestaande eenmanszaak omzet in een vennootschap, zet doorgaans een bestaande activiteit voort en geldt dan meestal niet als ‘startend’ voor deze uitzondering. Overweeg je een BV op te richten, hou hier dan rekening mee in je financieel plan.

Praktische voorbeelden

  • Voorbeeld 1 — starter zonder bezoldiging: een startende vennootschap met €80.000 winst in haar eerste boekjaar keert geen bezoldiging uit. Dankzij de startersuitzondering geldt toch het verlaagd tarief: €80.000 × 20% = €16.000.
  • Voorbeeld 2 — onvoldoende bezoldiging: een niet-startende kleine vennootschap maakt €120.000 winst maar keert slechts €45.000 bezoldiging uit. Vanaf inkomstenjaar 2026 is dat te weinig (de grens is €50.000). De volledige winst wordt aan 25% belast: €120.000 × 25% = €30.000. Met een bezoldiging van €50.000 zou de vennootschap 20% op de eerste €100.000 en 25% op €20.000 betalen (€20.000 + €5.000 = €25.000) — een tariefverschil van €5.000, af te wegen tegen de €5.000 hogere bezoldiging.
  • Voorbeeld 3 — winst boven €100.000: een kleine vennootschap die aan alle voorwaarden voldoet en €150.000 winst maakt, betaalt 20% op de eerste €100.000 (€20.000) en 25% op de resterende €50.000 (€12.500), samen €32.500.

Combineren met andere fiscale voordelen

Het verlaagd tarief staat los van andere optimalisaties en laat zich er goed mee combineren. Zo verlaag je via VVPR-bis de roerende voorheffing op dividenden (tot een eindtarief van 18% na verloop van tijd) en kan je met de liquidatiereserve winst reserveren tegen een gunstig regime. Een doordachte structuur weegt deze voordelen tegen elkaar af, in functie van je winst, je bezoldigingsbehoefte en je uitkeringsplannen.

Conclusie

Het verlaagd tarief van 20% levert een kleine vennootschap een reëel voordeel op de eerste €100.000 winst. De vier voorwaarden — kleine vennootschap, minimumbezoldiging, geen financiële vennootschap en aandelen hoofdzakelijk bij natuurlijke personen — moeten samen vervuld zijn. De verhoging van de bezoldigingsgrens naar €50.000 vanaf inkomstenjaar 2026 maakt dat een deel van de vennootschappen zijn bedrijfsleidersloon zal moeten herbekijken om het tarief te behouden. Wil je weten of jouw vennootschap aan de voorwaarden voldoet en of een hogere bezoldiging in jouw geval loont? Bekijk onze vergelijking van vennootschapsvormen of neem contact op voor een doorrekening op maat.

Compliance & review

  • Laatste review: 7 juli 2026
  • Reviewer: Vincent Meesters (ITAA 50.621.367), met fiscale-review door Nathalie De Bast (ITAA)
  • Bronnen: art. 215 WIB 92 (verlaagd tarief en bezoldigingsvoorwaarde), art. 1:24 WVV (kleine vennootschap), Programmawet 18 juli 2025 (verhoging minimumbezoldiging naar €50.000 vanaf inkomstenjaar 2026 / aanslagjaar 2027).
  • Voorbehoud: Dit artikel is informatief en geen juridisch of fiscaal advies op maat. Neem voor uw specifieke situatie contact op met een ITAA-erkend accountant.

Vincent Meesters
Ondernemer en fiscaal accountant