Jouw all-in opstartpartner

Digitale of fysieke afspraak

Regel je oprichting via een digitale of fysieke afspraak.

Fiscaal en juridisch sterk

We beschikken over de kennis op zowel fiscaal als juridisch vlak om in elke situatie uit te blinken in aanpak en advies.

Persoonlijke aanpak

Het dossier wordt op maat klaargemaakt ter oprichting. Ieder oprichting is uniek.

Exit en vrijblijvend advies

Wij hanteren geen exit-clausules.

Verlaagd tarief vennootschapsbelasting: voorwaarden en uitzonderingen

Fiscaliteit
Gepubliceerd op
01
April
2025

Verlaagd tarief vennootschapsbelasting: wie komt in aanmerking?

Als je een vennootschap opricht, wil je zo fiscaal efficiënt mogelijk ondernemen. Een van de belangrijkste voordelen voor kleine vennootschappen is het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting: 20% op de eerste schijf winst in plaats van 25%. Aan dat tarief zijn wel strikte voorwaarden verbonden, en die zijn vanaf inkomstenjaar 2026 verstrengd. In dit artikel leggen we helder uit wat het verlaagd tarief inhoudt en of jouw vennootschap er recht op heeft.

Wat is het verlaagd tarief?

Kleine vennootschappen kunnen onder voorwaarden genieten van een verlaagd tarief van 20% vennootschapsbelasting op de eerste schijf van €100.000 winst. Voor het deel van de winst boven €100.000 geldt het gewone tarief van 25%. Het verlaagd tarief is geregeld in artikel 215 WIB 92.

Het 20%-tarief op de eerste €100.000 geldt onverminderd voor aanslagjaar 2026 en volgende. Belangrijk: het verlaagd tarief is geen automatisme. Voldoe je niet aan alle voorwaarden hieronder, dan wordt je volledige winst belast aan 25%. Sinds inkomstenjaar 2026 is een van die voorwaarden (de minimumbezoldiging van de bedrijfsleider) bovendien verstrengd.

Voorwaarde 1: je vennootschap is 'klein'

Alleen kleine vennootschappen in de zin van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV) komen in aanmerking. Een vennootschap is klein wanneer ze op balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar niet meer dan één van de volgende drie criteria overschrijdt (art. 1:24 §1 WVV):

  • Jaargemiddelde van het aantal werknemers: 50 (voltijdse equivalenten)
  • Jaaromzet (excl. btw): €11.250.000
  • Balanstotaal: €6.000.000

Wie twee of drie van deze drempels overschrijdt, geldt als een grote vennootschap en heeft geen recht op het verlaagd tarief. De precieze bedragen worden periodiek geïndexeerd; ga in geval van twijfel na welke drempels van toepassing zijn op jouw boekjaar.

Voorwaarde 2: minimumbezoldiging bedrijfsleider (verstrengd in 2026)

Je vennootschap moet aan minstens één bedrijfsleider-natuurlijke persoon een minimale jaarlijkse brutobezoldiging toekennen, ten laste van het resultaat van het belastbare tijdperk. Deze drempel is vanaf inkomstenjaar 2026 verhoogd van €45.000 naar €50.000.

De regeling werkt als volgt:

  • Bedraagt de belastbare winst van de vennootschap minstens €50.000, dan moet de bedrijfsleider een brutobezoldiging van minstens €50.000 ontvangen.
  • Is de belastbare winst lager dan €50.000, dan volstaat het dat de bezoldiging minstens gelijk is aan het belastbaar inkomen van de vennootschap (de zogenaamde tegenclausule).

Nieuw sinds inkomstenjaar 2026 is bovendien een begrenzing op de voordelen van alle aard (VAA): die mogen maximaal 20% van de totale jaarlijkse brutobezoldiging uitmaken. Wordt die grens overschreden, dan telt het gedeelte VAA boven 20% niet mee om de drempel van €50.000 te bereiken. Een bezoldiging die grotendeels uit een firmawagen of andere voordelen bestaat, volstaat dus niet langer.

Overgangsregel voor starters: deze bezoldigingsvoorwaarde geldt niet tijdens de eerste vier boekjaren na de oprichting. Kleine startende vennootschappen behouden in die periode het verlaagd tarief ook zonder de minimumbezoldiging.

Voorwaarde 3: geen uitsluitingsgevallen

Sommige vennootschappen worden uitgesloten van het verlaagd tarief, zelfs wanneer ze formeel als 'klein' kwalificeren. De belangrijkste uitsluitingscriteria (art. 215 WIB 92):

Uitsluiting 1: financiële vennootschappen

Vennootschappen waarvan de aandelen die ze bezitten meer dan 50% van de gerevaloriseerde waarde van het gestort kapitaal vertegenwoordigen, kunnen worden uitgesloten. Deze regel wil misbruik via zuivere holdingstructuren vermijden.

Uitsluiting 2: dochtervennootschappen

Als minstens de helft van de aandelen van je vennootschap in handen is van één of meer andere vennootschappen, dan geldt het verlaagd tarief niet.

Uitsluiting 3: gereglementeerde instellingen

Beleggingsvennootschappen en instellingen voor pensioenfinanciering zijn uitgesloten van het verlaagd tarief.

Wat scheelt het concreet?

Stel dat je vennootschap in een volgroeid boekjaar (dus na de startperiode van vier jaar) een belastbare winst van €100.000 heeft, vóór bezoldiging van de bedrijfsleider. Twee scenario's:

  • Zonder voldoende bezoldiging. Ken je jezelf geen €50.000 brutobezoldiging toe, dan verlies je het verlaagd tarief. De volledige winst van €100.000 wordt belast aan 25%: €25.000 vennootschapsbelasting.
  • Met een bezoldiging van €50.000. Je trekt €50.000 brutobezoldiging af; er blijft €50.000 belastbare winst over in de vennootschap. Die €50.000 valt volledig onder de eerste schijf en wordt belast aan 20%: €10.000 vennootschapsbelasting.

De keuze is echter geen zuivere winst: de €50.000 bezoldiging wordt in jouw handen belast in de personenbelasting (progressieve schijven van 25% tot 50%, plus gemeentebelasting) en er zijn sociale bijdragen op verschuldigd. Of het optimaal is om winst als bezoldiging uit te keren dan wel in de vennootschap te houden en later via liquidatiereserve of VVPR-bis-dividend uit te keren, hangt af van je volledige situatie. Dit vraagt een berekening op maat, niet een vuistregel.

Let op bij de opmaak van de aangifte vennootschapsbelasting

In de aangifte vennootschapsbelasting wordt uitdrukkelijk gevraagd of je vennootschap volgens jou is uitgesloten van het verlaagd tarief. Een onjuiste verklaring kan tegen je worden gebruikt, ook wanneer ze per vergissing gebeurt. Een correcte inschatting bij de opstart en een zorgvuldige aangifte zijn dus geen formaliteit maar een risicobeheersing.

Conclusie

Het verlaagd tarief van 20% op de eerste €100.000 winst blijft een van de meest concrete fiscale hefbomen voor kleine vennootschappen. Om er recht op te hebben moet je vennootschap klein zijn, mag ze niet in een uitsluitingscategorie vallen, en moet ze — vanaf het vijfde boekjaar — een bedrijfsleidersbezoldiging van minstens €50.000 toekennen, met de nieuwe grens dat voordelen van alle aard maximaal 20% van die bezoldiging mogen uitmaken. De eerste vier boekjaren na oprichting zijn soepeler.

Bij de oprichting van je vennootschap bepalen we samen de juiste structuur en bezoldigingspolitiek, zodat je vanaf dag één op het verlaagd tarief kunt rekenen waar dat kan. Wil je nagaan of jouw toekomstige vennootschap in aanmerking komt? Start je gekwalificeerde intake of boek een betaald adviesgesprek (€100 excl. btw per uur). Meer achtergrond vind je in ons overzicht van welke vennootschapsvorm je het best kiest.

Compliance & review

  • Laatste review: 6 juli 2026
  • Reviewer: Vincent Meesters (ITAA 50.621.367), met fiscale-review door Nathalie De Bast (ITAA)
  • Bronnen: art. 215 WIB 92 (verlaagd tarief + uitsluitingen), art. 1:24 §1 WVV (definitie kleine vennootschap), minimumbezoldiging €50.000 en VAA-grens vanaf inkomstenjaar 2026.
  • Voorbehoud: Dit artikel is informatief en geen juridisch of fiscaal advies op maat. Neem voor je specifieke situatie contact op met een ITAA-erkend accountant.

Vincent Meesters
Ondernemer en fiscaal accountant